Inleiding

Wat is liaisonpsychiatrie?

Voor wie is liaisonpsychiatrie?

De huidige situatie in Vlaanderen

Eigenschappen van een geïntegreerd model

Multidisciplinair

Subsidiair

Bifocaal gericht

Organisatorisch geïntegreerd

Transparant

Operationalisering van een geïntegreerd model

Organisatie en structuur

Personeelsomkadering

Financiering

Samenvatting

Literatuur

Inleiding

Naast het uitvoeren van opnames, raadplegingen en urgentiepsychiatrische activiteiten, is consultatieve en liaisonpsychiatrie één van de functies van het Psychiatrisch Aanbod in het Algemeen Ziekenhuis (‘hét PAAZ’). In het Engels spreekt men van Consultation-Liaison Psychiatry: CLP. Het Nederlands taalgebruik is minder duidelijk. Immers zowel consultatieve als liaisonactiviteiten vallen onder dezelfde noemer: ‘liaisonpsychiatrie’. Ook in wat volgt zal deze betekenis behouden blijven.

Er werd vertrokken van een selectie van de zeer uitgebreide nationale en internationale literatuur. De opvallende bevinding uit de ECLW-studie (Huyse et al, 2000) dat liaisonpsychiatrie in elk van de Europese landen anders wordt ingevuld, lag mee aan de basis om ook voor het eigen land een model voor te stellen. [2]

Wat is liaison-psychiatrie?

Vertrekkend vanuit het bio-psycho-sociaal model van de geneeskunde is liaisonpsychiatrie een psychiatrisch ‘sub-specialisme’ dat zich specifiek richt op de interface soma-psyche in het algemeen ziekenhuis. Psyche staat hier voor sociale en psychologische factoren. Het belang van goed uitgebouwde liaisonpsychiatrie-diensten in algemene ziekenhuizen wordt al jaren onderstreept (House et al. 1995).  Als argumenten werden aangebracht:

de hoge graad van psychiatrische co-morbiditeit bij patiënten met somatische aandoeningen (Kessler 1987, Von Korff 1992, Fischler 2000).

de specificiteit van het werk (Mainprize 1987, Creed et al. Lyons 1988, Ramchandani et al 1997, Antonowicz 1998, Stoudemire 1998).

het belang van psychologische en psychiatrische factoren bij somatische aandoeningen en de behandeling ervan (bv. Pickering 2000, Dobbels et al. 2000).

de werkzaamheid of afwezigheid van werkzaamheid van de liaison-psychiatrische interventies, zowel op klinisch (Hales 1985, Gurthrie et al.1991, Hadhazy et al.2000,  Reid et al.2000, Hawton et al.1998, Vaz, 1996) als op economisch vlak (Strain, 1991,  Mumford, 1987, Saravay, 1994 , Gater et al. 1998).

het belang van verder onderzoek op dit domein (Larsen 1986, Cohen-Cole 1986, Trigwell et al. 1995, Halligan et al. 2000, Lobo et Huyse, 1995, Protheroe et al. 1999).

Bij een definiëring van liaisonpsychiatrie moet onderscheid gemaakt worden tussen consultatieve en liaisonactiviteiten. De consultatieve activiteiten verwijzen naar het ad hoc geven door een psychiater van adviezen bij patiënten die in het algemeen ziekenhuis verblijven of op raadpleging komen. De liaison activiteiten verwijzen naar een meer gesystematiseerde samenwerking tussen orgaanspecialist en psychiater, binnen teams en binnen verschillende disciplines zoals pijnklinieken, fertiliteitscentra e.a. (Lipowski 1991, Van Daele 1997).

Voor wie is liaison-psychiatrie?

Liaisonpsychiatrische interventies richten zich rechtstreeks of onrechtstreeks (via de somatische behandelteams) op de patiënt in het algemeen ziekenhuis. De verschillende doelgroepen van patiënten worden in de literatuur op zeer verschillende manieren ingedeeld. Een voorbeeld hiervan is de indeling van Ramirez (1997):

acute, primaire psychiatrische stoornissen ( bv. suicidepogingen en andere psychiatrische urgenties)

Psychiatrische stoornissen bij patiënten met somatische aandoeningen

Psychologisch beïnvloede of veroorzaakte lichamelijke syndromen (somatisatie)

Vanuit organisatorisch perspectief maakt men in België ook verschillende indelingen. De indeling in leeftijdsgroepen is klassiek aan het worden. De permanente werkgroep psychiatrie van de NRZV benoemde 6 psychiatrische subdoelgroepen in het algemeen ziekenhuis. (NRZV 1998)

Patiënten met somatische klachten die een onderdeel zijn van een psychiatrische aandoening (bv. paniekstoornissen) en die zich aanmelden bij de somatische hulpverlening

Patiënten met somatische diagnose waarbij een belangrijk aspect psychosomatiek, o.a. colitis ulcerosa, cvs, asthma…

Patiënten met een psychiatrische aandoening (bv. alcoholisme) en die omwille van een somatische complicatie van deze aandoening (bv. cirrose) een beroep doen op gespecialiseerde zorg in het somatisch ziekenhuis

Patiënten met een somatische diagnose en/of ingreep met daaruit voortvloeiend belangrijke psychosociale en/of ggz problemen, bv. brandwonden, oncologie, traumatologie

Psychiatrische patiënten die voor een niet gerelateerd somatisch probleem opgenomen worden (continuïteit van zorg)

Crisisinterventies, ernstige gedragsstoornissen, geassocieerd met medische problematiek in algemene ziekenhuizen en in de spoedgevallendiensten.

Geen enkele indeling lijkt voor de patiënt veel voordelen op te leveren. Toch is het van belang om wel degelijk enige ordening aan te brengen omwille van economische, wetenschappelijke en registratieve overwegingen.

De huidige situatie in Vlaanderen

Voor zover ons bekend zijn er geen Vlaamse cijfers bekend over het soort en het aantal psychiaters dat liaisonpsychiatrie beoefent en de hoeveelheid tijd die zij hieraan besteden. Dit is in tegenstelling tot de situatie in de Verenigde Staten en in Groot-Brittanië (Noyes et al 1992, Mayou 1987).

Zeer rudimentair schatten we in dat er in Vlaanderen op een viertal manieren liaisonpsychiatrie wordt beoefend:

in universitaire algemene ziekenhuizen, waar full-time liaisonpsychiaters werken, meestal binnen multidisciplinaire teams met geneesheer-specialisten in opleiding (GSO) en psychologen. Er gebeurt hier zowel klinisch (consultatief én liaison) als wetenschappelijk werk (Fischler 2000),

in algemene ziekenhuizen met een PAAZ, waar de PAAZ-psychiaters en/of aan de PAAZ verbonden GSO’s meestal mono-disciplinair en vooral consultatief werk doen,

in algemene ziekenhuizen zonder PAAZ waar psychiaters actief zijn, verbonden aan andere sectoren (psychiatrische ziekenhuizen, CGG’s, Beschut Wonen etc.),

in algemene ziekenhuizen zonder PAAZ, waar neuropsychiaters actief zijn.

Wat betreft bestaffing (aantal full time equivalenten van de verschillende disciplines per 100 bedden) en financiering van liaisonpsychiatrie-activiteiten, lijken de regelingen erg uiteen te lopen en zijn onvoldoende cijfers bekend.

Eigenschappen van een geïntegreerd model

Vanuit de voorgaande lezing van de literatuur menen we dat bij een verdere uitbouw van de liaisonpsychiatrie naar integratie moet gestreefd worden. Een geïntegreerd liaisonpsychiatrisch model functioneert multidisciplinair, subsidiair, met een dubbele focus, organisatorisch geïntegreerd en transparant.

 

Multidisciplinair

De multidisciplinaire traditie binnen de psychiatrie in het algemeen dient des te meer binnen de liaisonpsychiatrie uitgebouwd te worden (Leigh 1987). Minimaal dienen aanwezig te zijn: de medische (artsen, verpleegkundigen), de psychologische en de maatschappelijke expertise. Afhankelijk van de verschillende doelgroepen per locatie kunnen hier andere expertises aan worden toegevoegd (bv. ergotherapeuten, bewegingstherapeuten, relaxatietherapeuten,…).

Een expliciete organisatiestructuur is aangewezen om de noodzakelijke verhouding van evenwaardigheid en complementariteit tussen de disciplines te realiseren en in stand te houden.

Subsidiair

Subsidiariteit is volgens Van Daele ‘…het beginsel dat zaken die door een lager orgaan kunnen worden verricht niet door een hoger ter hand behoren te worden genomen…’.

Liaisonpsychiatrie als hoger organisatieprincipe in het ziekenhuis mag dus niet in de plaats komen van de bestaande vaardigheden, kennis en ervaring van personen (bv. in omgang met familieleden of bij het voeren van slecht nieuws gesprekken), eventueel ingebed in bestaande structuren van zorgverlening (zoals diensten ‘patiëntenbegeleiding’ en pastorale zorg). Liaisonpsychiatrie als hoger organisatieprincipe zal vooral zorgen voor toegevoegde expertise.

Evenzeer dient de plaats en het tijdstip van behandeling subsidiair afgestemd te worden op de noden van de patiënt. Bijvoorbeeld worden de meeste suïcidepogingen (de grootste groep hiervan wordt gevormd door de auto-intoxicaties) gezien in het algemeen ziekenhuis (Hawton 1997).  De aanwezigheid van en de samenwerking tussen een liaisonpsychiatrisch team en een psychiatrische opname-afdeling, vergemakkelijkt de behandeling en kan die optimaal afstemmen op de graad van somatische zorg die de suicidale patiënt op elk moment van het behandelingsproces nodig heeft. Wat geldt voor de suïcidale patiënt in het bijzonder, geldt ook voor de patiënt met somatische en psychiatrische comorbiditeit in het algemeen (Bonami 1995). In de VS heeft dit voor een aantal patiënten geleid tot zogenaamde ‘psych-med units’ waar de zwaarte van zowel de somatische als de medische problematiek een gesystematiseerde, dubbele beleidsvoering vereist. Zeker wanneer de focus moet liggen op de bio-psychische interface.

Naar organisatie toe vraagt het subsidiariteitsprincipe in ieder geval flexibiliteit, mobiliteit en creativiteit. (VGR, werkgroep geestelijke gezondheidszorg, 2001)

Bifocaal gericht

Liaisonpsychiatrie richt zich zowel op de patiënt zelf als op de hoofdbehandelaars/behandelteams, soms tegelijkertijd, soms niet (NRZV, 1998). Geen enkele patiënt zal liaisonpsychiatrisch behandeld worden zonder voorafgaandelijk overleg met de hoofdbehandelaar/behandelteam. Hoofdbehandelaars behouden steeds de vrijheid om geformuleerde liaisonpsychiatrische adviezen al dan niet op te volgen.

Wat betreft de patiëntgerichtheid vergt liaisonpsychiatrie een aangepaste opleiding en voldoende ervaring vanuit frequente patiëntencontacten, vooral omdat zowel diagnostiek als behandeling van psychiatrische morbiditeit bij somatische patiënten vaak verschillen van de ‘klassieke’ psychiatrische patiënt bv. psychofarmacologie bij somatische patiënten, diagnostiek van depressie bij chronische en andere aandoeningen (Mayou, 1997, Robinowitz en Nadelson, 1991). Het belang van een specifieke kennis over liaisonpsychiatrie en de moeilijkheid om op de hoogte te blijven van de meest recente ontwikkelingen en onderzoeksbevindingen wordt geïllustreerd door de oprichting in 1990 van de ‘International Consultation-Liaison Literature Database’ die sindsdien regelmatig up-to-date gehouden wordt (Strain, 1999).

Wat betreft de focus op het behandelteam, kunnen twee manieren onderscheiden worden om de expertise op de werkvloer te helpen verbeteren:

bespreking van individuele patiënten,

‘teaching’ activiteiten (bv. voordracht over rouwproblematiek voor oncologisch team,…). In het algemeen dringt zich een institutionalisering op van het bijbrengen van liaisonpsychiatrische know-how in de medische, psychologische en maatschappelijke opleidingen.

Deze dubbele focus vergt een intensieve en ondubbelzinnige aanwezigheid van de leden van de liaisonpsychiatrische equipe in het algemeen ziekenhuis (Brown and Cooper, 1987).

Organisatorische integratie

Naast een zo groot mogelijke inhoudelijke en organisatorische integratie van alle activiteiten van het psychiatrisch aanbod (liaison, opname, raadpleging, urgentie) binnen het algemeen ziekenhuis zelf, dient de structuur van de liaisonpsychiatrie altijd ook een geformaliseerde schakel te zijn van de zorgprogramma’s en zorgcircuits die in de regio worden opgezet met de andere voorzieningen van gezondheidszorg. Door deze positionering krijgt de liaisonpsychiatrie een rol in de noodzakelijke convergentie en integratie van somatische gezondheidszorg (huisarts, specialist, thuiszorg, ...) en geestelijke gezondheidszorg (CGG, Psychiatrisch Ziekenhuis, Beschut Wonen, vrij gevestigde psychiaters/therapeuten, CAD, welzijnszorg etc…) (Werkgroep Geestelijke Gezondheidszorg VGR 2001, NVRZ 1997).

Organisatorische integratie kan alleen ontstaan en blijven bestaan wanneer voldoende interesse, vertrouwen en overleg aanwezig is tussen enerzijds de zorgverleners onderling (artsen/verpleegkundigen, psychologen en maatschappelijk werkenden binnen en buiten de verschillende voorzieningen) en anderzijds tussen zorgverleners en bestuurders (directie, medische raad, zorgcircuits,…).

Transparantie

Patiënten, familieleden, verwijzers (huisartsen, specialisten,..) en het voltallige ziekenhuispersoneel dienen goed op de hoogte te zijn van het bestaan van de liaisonequipe. De rechtstreekse bekendheid met de personen, de disciplines en de methodologieën is van groot belang (Brown en Cooper 1987). Dit vergt een zorgvuldige profilering/affichering van en in de organisatie. Er wordt zelfs gepleit voor een actieve ‘marketing’ benadering (Pincus 1987). Ook blijkt alleen de beschikbaarheid, dus een ‘niet-wervende’ liaisonpsychiatrische dienst, niet noodzakelijk te leiden tot meer verwijzingen en een betere hulpverlening voor de psychiatrische problemen van somatische patiënten (Chandarana et al 1988). Anderzijds kan de adequaatheid van het verwijspatroon wel degelijk beïnvloed worden wanneer systematisch feed-back gegeven wordt aan de verwijzers (Vaz, 1996).

Voor een inhoudelijk kwalitatieve en wetenschappelijke beleidsvoering en bijsturing is een klinisch bruikbare, uniforme en zo tijdseconomisch mogelijke registratie van alle activiteiten aangewezen (Werkgroep registratie, 2000).

Operationalisering van een geïntegreerd model

Voor wat de operationalisering betreft, houdt een geïntegreerd model van liaisonpsychiatrie in dat alle in het algemeen ziekenhuis aanwezige elementen die gericht zijn op liaisonpyschiatrische dienstverlening, zoveel als mogelijk worden bijeengebracht en bijeengehouden. Indien nodig worden hier nieuwe elementen aan toegevoegd. Deze vormgeving vraagt enige toelichting over de organisatie en structuur, personeel en financiering.

Organisatie en structuur

De liaisonactiviteiten en de consultatieve activiteiten zijn verschillende methodologieën (Lipowski 1991, Van Daele 1997). Beide kunnen georganiseerd worden voor opgenomen en voor ambulante patiënten. Wel vragen ze elk een eigen organisatie.

Zo zullen de liaisonactiviteiten meestal door dezelfde personeelsleden gedaan worden op dezelfde diensten. Op die manier kunnen leden van het liaisonteam als het ware ook teamleden worden van multidisciplinaire teams op diensten zoals geriatrie, revalidatie, pijnkliniek, gynaecologie, infertiliteit, oncologie, etc.

Consultatieve activiteiten gebeuren per definitie ad hoc en worden vaker uitgevoerd door verschillende personen en in principe op alle afdelingen.

Beide organisaties worden geïntegreerd binnen één liaisonpsychiatrische structuur of zorgeenheid per (fusie)ziekenhuis. Hierin horen thuis: dossiervorming, registratie (vlg Lobo et al. 1995), supervisie, intervisie, briefings, correspondentie, wetenschappelijke activiteiten, onderwijs, etc. Voor de coördinatie en dagelijkse leiding van deze zorgeenheid is de liaisonpsychiater de meest aangewezen persoon. Hiervoor pleiten zijn/haar vertrouwdheid met de multifactoriële en biopsychosociale psychiatrische diagnostiek en de psychofarmacologie (Stoudemire 1998) Dit betekent niet dat de beroepsautonomie van de andere disciplines in de uitvoering van de verschillende activiteiten op de werkvloer én in de multidisciplinaire teambesprekingen in het gedrang mag komen.

Hoe de liaisonpsychiatrische zorgeenheid een schakel wordt van de locoregionale zorgcircuits, wordt bepaald door de lokaal vaak verschillende situaties.

Personeel

De voordelen van een multidisciplinair liaisonpsychiatrisch team worden in de literatuur nergens in twijfel getrokken (o.a. Leigh 1987, Mayou 1997)  De volgende tabel toont en vergelijkt een aantal reële of gesuggereerde personeelsomkaderingen die beschreven worden. Het gaat hier zowel om absolute verhoudingen per aantal bedden als over relatieve verhoudingen van de disciplines. Uit de tabel blijkt ook hoe de aanwezigheid van de verschillende disciplines per ziekenhuis verschillend is.

 

Bron

 

Aantal FTE
psychiater
per 100
bedden

 

Aantal FTE
psycholoog of
therapeut
per 100
bedden

 

Aantal FTE
sociaal assistent
per 100
bedden

 

Aantal FTE
assistenten-
psychiaters
per 100
bedden

 

Aantal FTE
administratief
personeel
per 100
bedden

 

Aantal FTE
psychiatrisch
verpleegkun-
digen per 100
bedden

 

Stewart
et al.
(1988)

 

0.57

 

0.14

 

0.14

 

0.28

 

?

 

0.28

 

Brown and
Cooper
(1987)

 

0.06

 

0.06

 

0

 

0

 

0

 

0

 

Bonami
(1995)*

Spreekt niet over
disciplines, enkel
over 1 FTE
liaisonwerker
per 100 bedden

 

  

   

 

  

 

 

  

 

 

  

 

 

  

 

 

House en

Hodgson
1994*

 

0.08

 

0.04

 

?

 

0.16

 

0.16

 

0.32

 

House 1994

 

0.13

 

0.3

 

0.15

 

0.27

 

0.25

 

0.4

EPSoMA

ZOL 2001

0.19

0.51

1.0

0.06

0

0

*voorstel

Het contrast tussen de epidemiologische gegevens over psychiatrische comorbiditeit bij medische patiënten (30-60 %) (Bonami 1995) en de lage medisch-psychiatrische bestaffing is hier het opvallendst.

Bij wijze van provocerende denkoefening kunnen de epidemiologische gegevens omgezet worden in aanwijzingen over hoeveel psychiaters nodig zijn.

Men kan deze berekening maken per aantal bedden of per aantal opnames per jaar. Vooral dit laatste moet worden benadrukt. Stel per 100 medische bedden met een gemiddelde ligduur per opname van 10 dagen. Dit betekent +/- 35 opnames per bed per jaar. Dit betekent per 100 bedden 3500 opnames per jaar. Indien 30-60 % van deze patiënten een psychiatrische comorbiditeit vertonen die medisch-psychiatrische aandacht verdient, betekent dit 1050-2100 patiënten per 100 bedden per jaar die een liaisonpsychiatrisch consult nodig hebben. Indien we er van uitgaan dat 1 full time liaisonpsychiater binnen het geheel van zijn/haar activiteiten +/- 7 nieuwe patiënten per dag kan zien, betekent dit op 220 werkdagen 1540 nieuwe patiënten per jaar. Dit zou betekenen dat per 100 bedden 1 FTE liaisonpsychiater nodig is om de werkelijke –epidemiologisch aangetoonde- psychiatrische comorbiditeit aan te pakken. In die zin lijkt de beschreven personeelsbezetting van Stewart et al. dit het meeste te benaderen (0.57 FTE psychiater per 100 bedden).

Voor de bestaffing van de andere disciplines lijkt een empirische benadering waarbij men vertrekt vanuit bepaalde (minimum)vereisten voor de samenstelling van een multidisciplinair liaison-team (zie bv Bonami 1995) en waarbij men vanuit een grondige registratie van de werkbelasting de bestaffing voortdurend evalueert, op dit moment de meest haalbare kaart. Een definitieve gouden standaard is immers niet meteen verdedigbaar vanuit de bestaande gegevens.

Financiering

Voor de medisch-psychiatrische activiteiten

Gezien de hoge gemiddelde tijdsinvestering per patiënt binnen liaisonpsychiatrisch werk, waar de gemiddelden variëren van 2,66 tot 3,5 uur (zie o.a.Lyons et al 1988, Ramchandani 1997, Bonami 1995), is een volledige prestatiegebonden financiering voor medisch-psychiatrische activiteiten op termijn onhoudbaar, tenzij de vergoeding per prestatie astronomische proporties aanneemt.

Gemiddelden zeggen bovendien niet altijd alles. De studie van Lyons (1988) toonde bijvoorbeeld aan dat weliswaar zo’n 57 % van de patiënten per ziekenhuisopname een tijdsinvestering vroegen van 2-3 uur of minder, maar dat zo’n 43 % 3 uur of meer tijd vroegen, en dat zo’n 10 % van de patiënten zelfs meer dan 10 uur tijd vroegen.

Een betere vergoeding voor liaisonpsychiatrie vanuit het RIZIV per prestatie houdt tevens het risico in op overconsumptie (Ransom et al, 1996).

Voor overleg, briefings, registratie en het zien van belangrijke derden (familie, partners, ..), aangelegenheden die essentieel deel uitmaken van liaisonpsychiatrisch werk bestaat voor de geneesheer geen RIZIV-nomenclatuur.

Aan de andere kant is een volledige forfaitaire vergoeding ook niet ideaal en houdt risico’s in: forfaits zijn vaak moeilijk aan te passen eens ze vastgesteld zijn, minimale vergoedingen en bestaffingen worden bijna automatisch al snel maxima (Myers 1983, etc.) 

Daarom lijkt een gemengd financieringssysteem het meest aangewezen. Hierbij kan een forfaitaire vergoeding vanuit het ligdagprijsbudget geïnstalleerd worden voor niet rechtstreeks patiëntgebonden activiteiten (overlegmomenten, supervisiemomenten voor teamleden, ...). De bestaande prestatiegebonden financiering voor de zuivere patiëntgebonden kan dan behouden blijven mits realistische en voldoende aanpassing.

Aan de andere kant is een volledige forfaitaire vergoeding ook niet ideaal en houdt risico’s in: forfaits zijn vaak moeilijk aan te passen eens ze vastgesteld zijn, minimale vergoedingen en bestaffingen worden bijna automatisch al snel maxima (Myers 1983, etc.) 

Daarom lijkt een gemengd financieringssysteem het meest aangewezen. Hierbij kan een forfaitaire vergoeding vanuit het ligdagprijsbudget geïnstalleerd worden voor niet rechtstreeks patiëntgebonden activiteiten (overlegmomenten, supervisiemomenten voor teamleden, ...). De bestaande prestatiegebonden financiering voor de zuivere patiëntgebonden kan dan behouden blijven mits realistische en voldoende aanpassing.

Activiteiten van andere disciplines

Een forfaitaire vergoeding voor psychologen, maatschappelijk werkers, liaison verpleegkundigen etc. kan verder voorzien worden zoals dit normalerwijze gebeurt, via het ligdagprijsbudget, Maribel, zorgvernieuwingsfonds (NRZV 2000) en RIZIV-conventies

Conclusie

Op basis van literatuurgegevens worden argumenten aangehaald en voorstellen gedaan om de liaisonpsychiatrie te integreren in de bestaande culturen en structuren van algemene ziekenhuizen en haar een meer zichtbare plaats toe te bedelen in het geheel van de gezondheidszorg. Er wordt gepleit voor een formele en inhoudelijke integratie.

‘Liaison’ impliceert immers samenwerking, geïntegreerd en integrerend, waarbij de liaisonpsychiater helpt om de link, de ‘verbinding’ tussen lichaam en geest, de verhouding tussen somatische en psychosociale factoren bloot te leggen en van hieruit eventueel het management van de patiënt mee te gaan sturen in een multidisciplinaire equipe. Deze implicatie maakt de kern uit van dit document.

Literatuur

  1. Huyse FJ, Herzog T, Lobo A, et al. (2000) European Consultation-Liaison Psychiatric Services: the ECLW Collaborative Study. Acta Psychiatr Scand 2000 May; 101(5):360
  2. PAAZ-overleg Vlaanderen (2000), Van Dé Paaz naar hét PAAZ, Over de plaats van het psychiatrisch aanbod van het algemeen ziekenhuis in het landschap van de vernieuwde geestelijke gezondheidszorg,
  3. Lipowski J (1991) Consultation-Liaison Psychiatry 1990, Psychother Psychosom, 55, 62-68
  4. Van Daele, B (1997) Psychosomatische Afdeling en Huidig Gezondheidsbeleid, in ‘Psychosomatiek, modellen, Strategieën, Perspectieven, (Ed. Boudewijn Van Houdenhove), Garant.
  5. Kessler LG, Burns BJ, Shapiro S et al. (1987) Psychiatric diagnoses of medical service users: evidence from the Epidemiologic Catchment Area Program, Am J Public Health, 77, 18-24
  6. Von Korff M, Ormel J, Katon W, Lin EHB (1992) Disability and Depression Among High Utilizers of Health Care, Arch Gen Psychiatry, 49, 91-100
  7. House A, Farthing M, Peveler M (1995) Psychological care of medical patients, editorial, BMJ, 310, 1422-1423
  8. Fischler, B. (2000) Herwaardering van de consultatieve liaisonpsychiatrie (CLP), Discussietekst
  9. Creed F, Guthrie E (1993) Techniques for Interviewing the Somatising Patient, British Journal of Psychiatry, 162, 467-471
  10. Lyons JS, Hammer JS, Larson DB et al. (1988) Treatment Opportunities on a Consultation/Liaison Service, Am J Pychiatry, 145, 1435-1437
  11. Ramchandani D, Lamdan RM, O’Dowd MA et al. (1997) What, Why and How of Consultation-Liaison Psychiatry, An Analysis of the Consultation Process in the 1990s at Five Urban Teaching Hospitals, Psychosomatics, 38, 349-355
  12. Antonowicz JL (1998) Missed diagnoses in Consultation Liaison Psychiatry, The Psychiatric Clinics of North America, vol 21, 3, 705-713
  13. Stoudemire A, Bronheim H and Wise TN (1998) Why Guidelines for Consultation-Liaison Psychiatry ?, Psychosomatics, 39, 4, S 3-7
  1. Pickering T (2000) Depression, Race, Hypertension and the Heart, J Clin Hypertens, 2(6), 410-412
  2. Dobbels, F, Put C, Vanhaecke J (2000) Personality Disorders: A Challenge for Transplantation, Progress in Transplantation 10, 226-232
  3. Hales RE (1985), The Benefits of a Psychiatric Consultation-Liaison Service in a General Hospital, General Hospital Psychiatry, 7, 214-218
  4. Guthrie E, Creed F, Dawson D, Tomenson B (1991) A Controlled Trial of Psychological Treatment for the Irritable Bowel Syndrome, Gastroenterology, 100, 450-457
  5. Hadhazy VA, Ezzo J, Creamer P, Berman BM (2000) Mind-body therapies for the treatment of fibromyalgia. A systematic review. J Rheumatology 27 (12), 2911-2918
  6. Reid S, Chalder T, Cleare A, Hotopf M, Wessely, S (2000) Chronic Fatigue syndrome, BMJ, 320, 292-296
  7. Hawton K, Arensman E, Townsend E et al. (1998) Deliberate self harm: systematic review of efficacy of psychosocial and pharmacological treatments in preventing repetition, BMJ, 317, 441-447
  8. Vaz FJ Salcedo MS (1996) A Model for Evaluating the Impact of Consultation-Liaison Psychiatry Activites on Referral Patterns, Psychosomatics, 37, 289-298
  9. Strain JJ, Lyons JS, Hammer JS, Fahs M et al. (1991) Cost Offset From a Psychiatric Consultation-Liaison Intervention With Elderly Hip Fracture Patients, Am J Psychiatry, 148, 1044-1049
  10. Mumford E, Schlesinger HJ, Glass GV et al. (1984) A new look at evidence about reduced cost of medical utilization following mental health treatment, Am J Psychiatry, 141, 1145-1158
  11. Saravay SM, Lavin M (1994) Psychiatric comorbidity and Length of Stay in the General Hospital, A critical review of outcome studies, Psychosomatics, 35, 233-252
  12. Strain JJ, Hammer JS, Fulop G (1994) APM Task Force on Psychosocial Interventions in the General Hospital Inpatient Setting, A Review of Cost-Offset Studies, Psychosomatics, 35, 253-262
  13. Gater RA, Goldberg DP, Evanson JM (1998), Detection and Treatment of Psychiatric Illness in a General Medical Ward: A Modified Cost-Benefit Analysis, Journal of Psychosomatic Research, 45, 5, 437-448
  1. Larsen F (1986) Experiences with the DSM-III in a psychiatric consultation/liaison service, Acta Psychiatrica Scandinavica, Suppl, 328, 57-60
  2. Cohen-Cole SA, Pincus HA, Stoudemire A, Fiester S, Houpt JL (1986) Recent Research Developments in Consultation-Liaison Psychiatry, General Hospital Psychiatry, 8, 316-329
  3. Trigwell P, Hatcher S, Johnson M, et al. (1995) ‘Abnormal’ illness behaviour in chronic fatigue syndrome and multiple sclerosis, BMJ, 1995, 311, 15-18
  4. Lobo A, Huyse FJ, Herzog T et al. (1995) The ECLW Collaborative Study II: Patient registration form instrument, training and reliability, Journal of Psychosomatic Research, 40, 143-156
  5. Protheroe D, Turvey K, Horgan K et al. (1999), Stressful life events and difficulties and onset of breast cancer: case-control study, BMJ, 319, 1027-1030
  6. Halligan PW, Bass C, Wade DT (2000), New approaches to conversion hysteria, BMJ, 320, 1488-1489
  7. Ramirez A, House A (1997) ABC of mental health: common mental health problems in hospital, BMJ, 314, 1679
  8. NRZV-werkgroep Psychiatrie (mei 1998) Ontwerp van advies m.b.t. liaisonpsychiatrie
  9. Noyes R, Wise TN, Hayes JR (1992) Consultation-Liaison Psychiatrists, How Many Are There and How Are They Funded, Psychosomatics, 33, 2, 123-127
  10. Mayou R (1987) A British View of Liaison Psychiatry, General Hospital Psychiatry, 9, 18-24
  11. Hawton K, Fagg J, Simkin S, et al. (1997) Trends in deliberate self-harm in Oxford, 1985-1995: implications for clinical services and the prevention of suicide, Br J Psych, 556-56
  12. Werkgroep registratie VVGG (2000), Meten om te weten, registratie in de geestelijke gezondheidszorg, Psyche 2, 12, 3-5
  13. Chandarana PC, Conlon P, Steinberg N (1988) The Evaluation of a Consultation-Liaison Service, General Hospital Psychiatry, 378-381
  14. Pincus HA (1987) Marketing Consultation-Liaison Psychiatry, General Hospital Psychiatry, 347-349
  1. Leigh H (1987) Multidisciplinary Teams in Consultation-Liaison Psychiatry: The Yale Model, Psychother. Psychosom. 48, 83-89
  2. Mayou RA (1997) Psychiatry, medicine and consultation-liaison, Br J Psych, 171, 203-204
  3. Robinowitz CB, Nadelson CC (1991) Consultation Liaison Psychiatry as a Subspecialty, General Hospital Psychiatry, 13, 1-3
  4. Strain J (1999) Special Issue, Consultation-Liaison Psychiatry Database 2000 Millenium Update, General Hospital Psychiatry, 21, 401-407
  5. Werkgroep Geestelijke Gezondheidszorg van Vlaamse Gezondheidsraad (2001)"Een kader voor de toekomstige organisatie van de geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen". In voorbereiding.
  6. NVRZ, werkgroep psychiatrie (1997) Tweede deeladvies inzake toekomstige organisatie en ontwikkeling van de geestelijke gezondheidszorg.
  7. Stewart DE and Lippert GP (1988) Psychiatric Consultation-Liaison Services to an Obstetrics and Gynecology Department, Can. J. Psychiatry, Vol 33, 285-289
  8. Brown A and Cooper AF (1987) The Impact of a Liaison Psychiatry Service on Patterns of Referral in a General Hospital, Br J Psychiatry, 150, 83-87
  9. Bonami T, Caes T, Galle C et al. (1994) Werkgroep Psychomedische eenheid en Liaison-Psychiatrie (niet gepubliceerd manuscript)
  10. House A en Hodgson G (1994) Estimating Needs and Meeting Demands, in ‘Liaison Psychiatry, Defining Needs and Planning Services’, 3-15, Benjamin S, House A and Jenkins P (eds), Gaskell publications.
  11. House A (1994) Liaison psychiatry in a large teaching hospital: the service at Leeds General Infirmary, in ‘Liaison Psychiatry, Defining Needs and Planning Services’, 58-75, Benjamin S, House A and Jenkins P (eds), Gaskell publications.
  12. Remans B, De Queker W, Bergen E (2000) Naar een nieuwe liaisonpsychiatrie in het ZOL te Genk. ‘EPSoMA’: Eenheid voor Psychologische, Sociale en Medische Activiteiten, gepresenteerd voor de Medische Raad op 23 oktober 2000.
  13. Ransom SB, McNeeley SG, Kruger ML et al. (1996) The Effect of Capitated and Fee-for-Service Renumeration on Physicia Decision Making in Gynecologie, Obstet Gynecol, 87, 707-710
  14. Myers JM (1983) Payment for Liaison Activities (letter), Am J Psychiatry, 140, 5, 654-655
  15. NRZV (2000) Advies inzake het zorgvernieuwingsfonds voor de geestelijke gezondheidszorg

VOETNOTEN

[1] Beiden zijn als psychiater werkzaam in het ZOL te Genk., respectievelijk als coördinator van de liaisonpsychiatrie en als diensthoofd psychiatrie.

[2] Deze tekst werd door het Vlaams PAAZ Overleg aangenomen als basisdocument terzake op de vergadering van 27 maart 2001.